Frituur “Sien”

Mijn tweede inzending ter beoordeling bij Columnx, uitdaging van de maand.


“Wat mag het zijn?”, zegt de dikke vrouw in de mouwloze jas-schort achter de toonbank. Haar handen heeft ze kruislings onder haar oksels geklemd. Knap, want haar boezem is niet mis. “Twee frikandellen, twee frites speciaal en een bamischijf”, zeg ik. En extra uitjes”, roept mijn lief. “Inpakken?” vraagt ze. “Nee we eten het hier op”. “Ik kom het wel brengen”, zegt ze attent. Ik kijk om me heen of er een tafeltje vrij is. Dat is er, meer dan een, en we schuiven samen op een bankje in de hoek. Als ik mijn armen op de tafel neerleg plakt het een beetje. Het is warm, “dus dan transpireer je ook uit je armen”, hoop ik. Er klinkt muziek uit de gokkast en wat gerinkel. “Gezellig hè”, zeg ik. “Nou en of”, zegt lief. “Het is de beste frituur in de buurt”.

Als ik om me heen kijk valt mijn oog op een van de de foto’s aan de muur. Ik scheur voorzichtig mijn arm los van het tafelblad en zoek de bril in mijn tasje. Als ik hem op heb kijk ik recht in de ogen van een BNN-er. Een echte Ster. Hij staat naast de dikke vrouw, en samen hebben ze een frikandel in hun mond. Dezelfde weliswaar, maar ieder hun eigen stukje. “Er komen hier ook bekende Nederlanders”, zeg ik. “Goede zaak”, zegt mijn lief.

Omdat ik mijn bril op heb zie ik steeds meer. De dikke vrouw die zich op haar hoofd krabt, haar linker hand die iets langs haar neus weg wrijft en dan vervolgens de koeling in duikt en twee frikandellen pakt. Die van ons? Ze legt ze even op de toonbank omdat er een nieuwe klant is. Haar handen gaan automatisch richting haar oksels, waarbij ik boven de verkleurde armsgaten van haar schort wat zwart en harigs meen te zien. “Wat mag het zijn?”.

“Bij Sien”, heeft voor mij afgedaan. Geen ster hier.


Hella Kuipers:

De sfeertekening is goed gedaan. Ik ben zelf een beetje allergisch voor “mijn lief” maar dat zal de kift zijn Wink. De laatste regel is weer een inkoppertje. Zou je een origineler einde kunnen verzinnen? (Nu lees ik de reacties, en dat iedereen er toch altijd heenging. Dé oplossing.)


Dank je Hella, mijn “lief” wil ook wel eens een naam krijgen, “zei hij”, dus wie weet in een volgend stukje.

Ik ga het nog eens herzien.

Leuk!

 

Restaurant “het lekkere visje”.

Een schrijversopdracht via Columnx

” Jullie mogen een maandje los gaan op een slechte restaurant-recensie.

Aandikken is het toverwoord van de maand Juli!

Schrijf een restaurantrecensie waar elke restauranteigenaar van in tranen uit zou barsten
Dik het aan, maak het smeuíg”.

 Ik vrees dat ik iets over de 300 woorden ging, maar het typte lekker


 

Al weken willen we er eten. Het is lekker, leuke bediening. Onze vrienden zijn enthousiast. Dus we hebben iets te vieren en ik reserveer. Zaterdag om 19.30 uur. Maar het gaat al mis als de ober mijn stoel achteruit schuift en ik wil plaats nemen. “Zie ik dat nu goed”? Er ligt iets wits op de vloer, vlakbij de voorpoten van mijn stoel. “Kan niet waar zijn”, denk ik en ga snel zitten. Maar kan mezelf niet bedwingen om nogmaals tussen mijn benen door te gluren naar alles wat ik niet hoop te zien. Van schrik stoot ik iets van de tafel dat kletterend op de grond valt. De ober bukt en raapt het op. “Alstublieft mevrouw, uw gebit”, en hij lacht erg hard en legt de lepel die gevallen was terug op mijn tafel. Ik knik verbijsterd.

Mijn lief kijkt me vreemd aan . “Gaat het wel goed met je schat, je lijkt wat nerveus”. “Er ligt iets onder mijn stoel”, sis ik. “ik geloof dat het een inl…”. “Meneer en mevrouw, een goedenavond. Zo te zien heeft u wat te vieren dus laat ik maar alles uit de kast trekken vanavond, dan kunt u de kleren aan laten”, en de ober schatert het uit, terwijl we de menukaart ontvangen. Ik kijk wat zuur naar mijn lief die er hartelijk mee lacht.

De ober vertelt over de specialiteiten en raadt ondertussen een aperitief van het Huis aan. “Doet u maar”, zeg ik snel. Ik heb haast, wil eerst het zekere van het onzekere voordat ik hier eten bestel. “U maakt er een vluggertje van mevrouw, dat is jammer, want er is zoveel om van te genieten hier”. Mijn lief vindt alles bijzonder vermakelijk en zegt: “wel een leuke bediening, lekker vlot, geen stijf gelul”. Met een gezicht als een oorwurm kijk ik hem aan.

“Proost, op onze avond” en we toasten. Een kort moment van afleiding en ik pak de menukaart. Dat gaat niet goed. Bij de voorgerechten gaat het al mis. Een lauwwarme paté van kabeljauw op een bedje van zeewier. “Lijkt me heerlijk schat, echt iets voor jou. En misschien als hoofdgerecht de pittige makreel?”

“ik kijk eerst even zelf rond”, mompel ik. En neem vervolgens een duik onder de tafel en ja, daar ligt het in volle glorie. Het witte ding. “Gadverdamme, ik wist het. Ik heb een neus voor dit soort zaken”. Met een rood hoofd kom ik omhoog en sta op.  Mij zie je niet meer bij het “Lekkere visje”.


Hella Kuipers: 

Het is een leuk verhaaltje, en die lauwwarme kabeljauwpaté klinkt opeens supergoor, dat is goed gedaan. Denk wel om je vertelperspectief. In de ik-vorm kan de hoofdpersoon niet zien hoe haar gezicht eruitziet. Dus niet:
“Ik kijk wat zuur naar mijn lief … ”
“Met een gezicht als een oorwurm kijk ik hem aan.”
“Met een rood hoofd kom ik omhoog …”
En vlooi je eerste versie even na op stopwoordjes als ‘maar’ en ‘en.’
De laatste regel had wel iets uitsmijteriger gemogen.


Als ik iets schrijf dan denk ik altijd dat iedereen met me mee gaat in die flow, ben dan zelf super enthousiast, helemaal blij en vervolgens vergeet ik alles om het echt beter te maken. Leesblindheid op en top. Hella bedankt. Als ik tijd heb ga ik een nieuwe poging wagen.

 

 

 

Ik mis je mam

En dan sta ik ineens voor je deur. Ik ken je niet, weet niet eens hoe je er uit ziet en of je stem dezelfde klank als de mijne heeft. Lijken we op elkaar? Hoe zijn je ogen? Omhels ik je? Herken ik mezelf of zie ik zo een vreemde? Wat bezielt me in vredesnaam, waarom wil ik dit? Ik wist tot mijn dertiende niet eens van je bestaan af. Maar sta nu hier en durf ineens niet meer. Heb dit moment zo vaak geïdealiseerd en ben eigenlijk alleen maar bang. Want wat gebeurt er met me als je niet open doet?

Mijn diepe angst om afgewezen te worden heeft me altijd weerhouden om je op te zoeken. Die is als het ware met me mee geboren op het moment dat je me afstond. Ik begrijp heel goed dat je niet anders kon, maar het verlicht mijn pijn niet. Maar mag ik wel dieper voelen dan jij? Welk recht heb ik?

Want wat voelde jij mam, toen ik geboren werd? Ben ik bij je weggehaald of heb je me misschien nog vast mogen houden? Mocht je me even liefkozen? Wat dacht je toen de zuster me overnam? Heb je gehuild? Geschreeuwd? Gevochten? Hoe was dat voor jou mam? De deur die nu tussen ons rust is een compleet mensenleven. En ik wil weten wat het voor jou betekende. Als ik aanbel is de kans groter dat je me afwijst dan dat je me toelaat. Maar als ik niet duw, dan kom ik toch terug, omdat ik je mijn hele leven al mis. Ik huil om jou en om wat we samen niet hebben. Mijn God wat ik mis je Mam.

Ineens duw ik op het zilverkleurige knopje. “Ja?”, klinkt het door de intercom. “Suzanne”, zeg ik, en de de deur gaat open…..

 

Dikke Suus

Een schrijfopdracht via ColumnX

In 300 woorden een column over een reünie.

Wie bewonderde je, aan wie had je een hekel, etc.

Commentaar van Hella Kuipers:
 
Klein juffenzeurtje: “Wat wel me bij is gebleven” zou ik samentrekken tot “wat me wel is bijgebleven.”
Erg mooie zin: “mijn zelfspot was ook in proporties.”
Het is een column waarin de verteller zich blootgeeft (maakt niet uit of het waargebeurd is of fictie) en zich kwetsbaar toont. Uit de reacties blijkt wel hoe goed dat werkt in een column. Hoe persoonlijker je durft te zijn, hoe meer het algemeen blijkt aan te spreken, geweldig hoe dat werkt. En ook mooi hoe veel meer to-the-point je schrijft als het kort moet.

 


 

Via Facebook krijg ik een berichtje van John, of ik de Suus ben die 40 jaar geleden bij hem in de klas zat. Op zijn profiel zie ik een oude man, die een een klein kind op een schommel duwt. Hij woont in Budel. Ik beantwoord hem vriendelijk dat ik geen idee heb wie hij is. In een paar seconden volgt er een vriendschap verzoek, dat ik vervolgens negeer. Toch stuurt hij na een uurtje een berichtje, en vertelt dat hij een reünie organiseert, samen met Marleen, die ik ook nog moet kennen. Er volgt een link naar een website waarin ik inderdaad de oude basisschool en me zelf op een foto ontdek. Marleen herken ik ook niet.

Och Suus…. een dik meisje, achteraan, zo onopvallend mogelijk. Nooit gepest gelukkig, maar denk ook dat ik uitstraalde dat ze dat wel konden vergeten. Wat me wel is bijgebleven zijn best pijnlijke momenten. De laatst gekozene bij trefbal, niet passen in een outfit voor de musical, dat soort dingen. Ik lachte veel weg, mijn zelfspot was ook in proporties. Het idee groeide, dat als ik als eerste een opmerking maakte over mijn postuur, dat anderen dat niet meer hoefden te doen. Het te zwaar zijn heeft een groot deel van mijn leven beheerst en me beschadigd. Maar of mijn leven er beter op was geworden als ik slank was geweest in mijn jeugd, dat betwijfel ik ten zeerste. Het zijn levenslessen die me vormden, die me maakten tot wie ik nu ben.  “Reparatie” is wel degelijk mogelijk.

Dus ik ga niet. Ik ben misschien wel gelukkiger en jonger dan drie kwart van mijn oude klasgenoten. Een avond oude herinneringen ophalen levert me niets op, ook al ben ik niet meer dat dikke stille meisje. Dus Suus blijft lekker ” tuus” .

Corrigerend hemdje…

Het is 4 uur zaterdagmiddag en ik besluit nog snel even de stad in te lopen, voor een truitje op dat schattige rokje, waar ik nooit iets echt leuks op heb gevonden. Met het rokje in mijn tas loop ik winkel in, winkel uit en zie niets wat me bekoort. Moedeloos sjok ik de stiller wordende winkelstraat door. Tot mijn blik ineens valt op een etalagepop bij de M&S. Een heel apart truitje zit om de pop gedrapeerd. Het lijkt een beetje Grieks haast. Een waterval hals, met wat afleiding op de heupen, ideaal. Snel haal ik nog even het rokje uit mijn tas en houd het voor het raam en knik: “ja, dat is hem”. Opgewonden stap ik de winkel in en……..

“We gaan zo sluiten mevrouw”, zegt de verkoopster achter de toonbank. “Ik hoef alleen maar snel dit truitje te passen, ik ben zo klaar”, zeg ik vrolijk.

Het is al warm in het pashokje als het gordijn dicht gaat. Een geur van zweet vermengd met parfum kringelt mijn neus in. “Bah”, denk ik nog. Ik wurm me het truitje in, waar je dus een gebruiksaanwijzing voor nodig hebt, en kom niet verder. Het lukt niet. Ik krijg het warm. Steeds opnieuw propt mijn arm in dezelfde verkeerde opening, en ik krijg hem niet verder. Mijn elleboog staat inmiddels op een vreemde manier naar links gedraaid en het lijkt of mijn schouder uit te de kom vliegt als ik doorga. Het zweet glijdt over mijn rug. Een nat voorhoofd, en langs de slapen stroomt het verder het decolleté in. Instinctief begin ik de elleboog omhoog te duwen zodat ik een poging kan doen om met mijn rechterhand het mouwtje naar beneden te stropen. Het lukt niet, ik zit vast, muurvast. Omhoog kijkend in de spiegel zie ik iets wat ik liever niet wil zien. Een vrouw, half gebukt, een spijkerbroek die in de taille net iets te strak zit, een wit “love handeltje” er overheen hangend, een rood bezweet hoofd met verwarde haren en een arm die inmiddels zo pijn begint te doen dat ik wel kan janken. Mijn hart klopt als een bezetene en een lichte paniek komt op.

Gedurende de twintig minuten, die ik vecht voor mijn leven,  is het me niet opgevallen dat het inmiddels stil is geworden. “Hoe laat is het?”, vraag ik me af. Dan slaat de paniek echt toe. “Oh God, zo dadelijk is de winkel al gesloten. Het is morgen geen koopzondag en misschien gaan ze pas maandag om 13.00 uur open. Niemand zal me missen, want ik heb niks afgesproken, ik kan wel dood gaan”, bedenk ik.

In eerste instantie roep ik zachtjes “help”. En luister of ik iets hoor. Maar de stilte weergeeft alleen mijn eigen bonkende hart. Ik besluit iets harder te roepen. ”HELP ME DAN”,  schreeuw ik door de ruimte, en als een klein kind,  geef  me over aan alle emoties, en begin te huilen.

Ineens wordt het gordijn open geschoven, en de verkoopster van de toonbank verschijnt in mijn spiegelbeeld. Onze ogen kruisen elkaar, en ik zie haar in 10 seconden schrikken, een gil ontsnapt, vervolgens slaat ze een hand voor haar mond en daarna een lach….en niet zo’n kleintje ook. “Ooh mevrouw toch, wat is er allemaal aan de hand”, proest ze het uit. “Ik zit vast, ik kan er niet meer uit”, murmel ik.

Met eindeloos geduld helpt de lieve verkoopster me uit de benarde positie. Heel voorzichtig gaat het verkeerde armsgat naar beneden en slaak ik een zucht als het truitje uit is.

Ik omhels haar, bedenk vervolgens dat ik in mijn BH sta en herpak me.  “Dat was het enige truitje dat op mijn rokje staat”, snik ik. ‘Trekt u het rokje even aan, dan help ik u met het truitje,” zegt ze.

Achteraf………Was het helemaal geen ingewikkeld truitje. Gewoon een kwestie van het goede gaatje.  Maar als ik het eindelijk aan heb en mezelf bekijk vind ik het niks. “Er kwabbelt wat”, zeg ik. De lieve verkoopster antwoordt dat ze ook nog heel comfortabele corrigerende hemdjes hebben. Dus, wat moet ik? Het is inmiddels bijna zes uur, de winkel is al een uur dicht. Dus ik koop alles.

Volgende week breng ik het terug. Ik heb het bonnetje nog……

Zwijgstront

Ze komen later dan afgesproken en eigenlijk merk je meteen dat er wat is. Je kunt zijn kus nog net ontwijken en belandt uiteindelijk half op je oog. Niet een normale hand maar 2 handen op je kont en je voelt ze glijden. Snel stap je naar achteren. Zij ziet het en aarzelt of ze hetzelfde zal doen bij jouw vriend, maar ze houdt zich in. Ik vermoed dat dit een moeilijke avond gaat worden….

Als we de kamer in lopen vraagt hij waar ik normaal zit en ik wijs naar de relaxstoel bij de open haard. “Nee, dat is ongezellig, ik heb je al zo lang niet meer gesproken, wij gaan samen op de bank” , zegt hij gebiedend. En een vette knipoog volgt…”Jakkes”, denk ik en ga in een hoekje van de bank zitten. Zij staat te aarzelen en neemt plaats op de andere bank. Mijn lief heeft niks in de gaten en babbelt aan een stuk over de gezamenlijke vakantie van de zomer, de tuinplannen en laat foto’s zien van de tuinbeurs het afgelopen weekend.

Het lijkt alsof er niets aan de hand is, maar als ik vraag wat ze als aperitief willen schreeuwt zij bijna om een sherry. Ik ben blij dat ik kan opstaan om de drankjes te halen en verdwijn in de keuken om de lamsbout te checken en ondertussen alvast een glaasje wijn achterover te slaan.

Lief komt binnen , geeft me een knuffel en kijkt me aan met vragende ogen. “Wat is er schat?”, fluistert hij in mijn oor. “Ze hebben zwijgstront”, fluister ik terug. “Wat is dat nu weer?, vraagt hij lachend.

Zachtjes leg ik het hem uit. Zwijgstront is eigenlijk erger dan ruzie. Zwijgstront spreekt zich niet uit maar lijkt op een gore drol die smeulend zijn aanwezigheid verraad. Het is soms moeilijk te herkennen omdat het net lijkt of er niks aan de hand is. Maar het begint nooit zomaar ineens. De dag ervoor borrelen allerlei irritaties op, gemopper op elkaar, gevit en uiteindelijk de kilte van haar ’s avonds in bed als hij het goed wil maken. De dag erna zwijgt hij als eerste aan de ontbijttafel, met als gevolg dat hij geen koffie krijgt. De lunch wordt in stilte voldaan en tegen vijf uur vraagt ze of ze ons moet afbellen. “Nee, we gaan, ik heb wel zin in een gezellige avond”, snauwt hij. Ze houden de schijn op denken ze, maar vallen bij binnenkomst al door de mand. Juist daarom zou het verboden moeten worden in gezelschap. Er is niets ergers dan je verheugen op een avondje met je vrienden en ze hebben het. Maak elkaar thuis af, bel op en zeg dat er iemand ziek is, maar kom niet als je zwijgstront hebt.

Vaak verdwijnt het vanzelf weer. Komt soms door een bijzondere situatie, een hilarisch moment of gewoon omdat de riekende geur voorbij is. Maar of dat bij ons vanavond zal gebeuren betwijfel ik.

Met de drankjes en amuses lopen we samen weer de woonkamer in waar ze stil voor zich uit staren. Hij springt op en vraagt of hij iets kan aannemen en maakt een flauw grapje waar niemand om lacht. De avond verloopt ogenschijnlijk goed. Hoe meer drank er vloeit hoe meer we praten. De lamsbout is heerlijk en de crème brûlée niet te donker en niet te zoet. Maar zij zwijgen en wij ratelen ons hele arsenaal ratels af. Om 1.00 uur, na sigaren en cognac bedanken wij ze voor de fijne avond, en zuchten….zwijgen, maar heeft gelukkig niets met stront te maken……

* Met dank aan Kees van Kooten voor het briljante woord…..

©2014 Suus

Mei zomer dagdroom

Ze draaien aan het roestige slot van de houten deur. Dicht….Dat hadden ze ook wel verwacht eigenlijk. De deur is versleten, stukken hout zijn weggerot en samen gluren ze door een van de spleetjes. Een binnenplaats…gras….een omgevallen wit bistrostoeltje dat er duidelijk al langer ligt door de groene algenlaag op de zijkanten. Hij loopt van het bordes af, de trap naar beneden en houdt zijn hand boven zijn ogen. De zon schijnt al warm, ook al is het nog een vroege ochtend in mei. 

Ze loopt ook het bordes af, naar hem toe en gaat voor hem staan. Hij slaat zijn armen om haar heen, kust haar nek en samen kijken ze naar de statige muren.  Ze duwt haar lichaam tegen het zijne. “Het is nog precies zoals ik het me herinner”,zegt hij. En ze hoort een diepe zucht. “Hoe lang is het geleden, vraagt ze? “ik was nog met haar”, klinkt het  emotioneel en ze duwt zich nog dieper in zijn armen en knikt. De blauwe haast nieuwe lucht contrasteert prachtig met de verweerde stenen.

“Kom”, zegt hij en pakt haar hand. Hand in hand een stukje terug en lopen via een zijpad verder. De heggen zijn net te hoog om  over heen te kijken, maar soms zijn er openingen. De achterkant van het Chateau is wellicht nog mooier dan de voorkant. Prachtige raampartijen, klimplanten tegen de gevel, meters hoog. Ze zien zich zelf er al wonen, verbouwen, kinderen en kleinkinderen aan lange tafels in de tuin onder de bomen. 2 Honden, wat katten voor de muizen, misschien wel een hangbuikzwijntje en uiterraard kippen. Ze willen een moestuin, er zijn al fruitbomen, maar of ze ooit een beest durven slachten dat betwijfelen ze. De wijngaard van 10 hectare wordt de bron van inkomsten. Ze raken verliefd op stenen, gras, bomen en op elkaar.

De wandeling door de boomgaard duurt lang. Ze kijken en kussen, weten dat ze alleen zijn en de warmte hun voedt en vult. Hij streelt haar en zij laat zich strelen, ook al kennen ze elkaar nog niet zo lang.  Het begint daar samen en het voelt alsof het nooit anders geweest is.

Ze besluiten om in de aangrenzende winkel wat wijn te proeven en te kijken of het te koop is. Ze kunnen het helemaal niet betalen, dat weten ze ook, maar het opgewonden gevoel is zo heerlijk dat het haast een grote teleurstelling is dat het Chateau niet eens te koop staat. Stil lopen ze met flessen wijn en wat aangeschoten van het proeven de oprijlaan af . Nog eens omdraaiend en ze zuchten. Totdat hij zegt: “wat ruik ik? Verbrand plastic?”. Wat ze aanvankelijk niet hadden gezien omdat ze verblind waren door de schoonheid van het gebouw zagen ze nu wel ineens. De grote lelijke fabriek op de hoek, waar vieze stinkende dampen de prachtige blauwe hemel vergiftigden.

“Ik vond het toch iets te klein”, zegt ze. En samen lachen ze de weg terug….

Mei zomer dagdroom

 

©Suus 2014